Onlangs schoof ik aan bij Forum Inside, samen met jonge vader Thierry, magister bibendi Ralf, briljante Sid de razende filosoof en de erudiete, bedachtzame, beschaafde Lidewij, die veel te weinig aan het woord kwam in al dat geweld.
Leve Forum Inside! Die vrolijke alternatieve oase van vrije meningsuiting en onstuimige filosofie. Gideonsbende in een kleingeestige mediawereld die gedomineerd wordt door slaven, laven en larven, waaruit ik -talent of niet- sowieso wegens ‘wrong think’ levenslang uit verbannen ben.
Regen of zonneschijn, als meisje van acht werd mijn moeder meer dan eens de heide van Soest opgestuurd, om daar, uit het zicht, een paar uur “te gaan spelen” als er politie in de buurt was.
Haar “speelkameraadjes” waren de Joodse kinderen die ondergedoken zaten bij mijn opa en oma, verscholen tussen de zeven eigen kinderen. Ik vermoed zelf dat ze afkomstig waren van het onderduikadres van mijn oudoom Aart Vos en zijn vrouw Johtje aan de verlengde Engweg in Laren. Of er een uitwisseling tussen beide huizen was heb ik echter nooit kunnen kunnen achterhalen*.
Tot mijn grote schrik besefte ik, onder het draaien van een oneindige stapel gehaktballen, ineens, dat het bijna Kerstavond is.
En dat ik niemand van jullie nog een vrolijk en gezegend Kerstfeest heb gewenst.
Laat staan dat ik jullie een mooie tip heb gegeven over een passend verhaal om de kinderen voor te lezen bij de haard of een muziekstuk dat deze avond nog mooier en ontroerender kan maken. Of een heerlijke podcast voor de gezegenden die tijd hebben voor zichzelf op deze avond.
The barren field stretches as far as the sharpest eyes can see, to a horizon so straight, you could hold a ruler against it.
This landscape that til mid-September still mirrored the Ukrainian flag, with its upper half of azure sky and lower half of waving grain, now forms a desolate grey above exhausted grass and brown clumps full of stumps and stalks.
The rasputitsa, or распутица, has just begun. That leaden-grey rainy period between summer dust and winter ice, which turns the fertile clay into a sticky mush in which horses drown and tanks sink, hangs like a veil over the endless land.
An interminable swamp of bone glue that has previously caused so many reputations of German generals and French commanders to perish, swallowing their ambitions in its quicksand.
Now we look down on an arrow-straight road that cuts through this desolate landscape, as rainwater fills its potholes and cracks in its asphalt.
A road like so many others in these parts, running straight through the endless fertile farmlands that in better times make Ukraine the breadbasket of Europe. A lifeline along which, in four years of fratricidal war, everything on wheels limped, rattled, and roared past.
From dirt bikes and pickup trucks full of deathly tired and gravely wounded soldiers, to crusty Lada’s with shattered windows, far too pristine NATO equipment, completely unsuited for this hell of dust and mud, and bizarre contraptions that —with their steel nets, iron spikes, and welded rusty plates— look more like the menacing wheeled monsters from Mad Max than actual tanks or armored vehicles.
Steampunk abominations, protected as best they can by their crews, against the insane tricks and killing jokes, of a postmodern war which resembles the battle of Passchendaele as well as John Connor’s war against the Terminators.
Thousands of men raced along this point, at full speed, with the devil on their heels and true contempt for death. To and from the erratic, ever-shifting front around Kupiansk in Kharkiv Oblast, kicking up suffocating clouds of beige dust, mixed with sooty exhaust fumes, slaloming around the many charred wrecks, strewn around like toys—the black mirrors of fate for every soldier who dares to ventures onto these desolate roads.
A cynical fate with little propellers, hovering like a hawk, patiently waiting for prey in the silver-grey autumn sky. “Ptitsa,” as the soldiers cynically call the FPV drone. A word that sounds like a friendly chirp and indeed means “bird” in Russian.
But these ptitsi—or ptakh in Ukrainian—do not sing cheerful songs.
These are not blackbirds or nightingales, but vicious buzzing hornets packed with explosives that identify anything that moves. And once it turns out that targets are hostile, these ptitsi relentlessly pursue them into their holes and basements, into their cabs and cargo holds, to blow them up without mercy.
A fate, left to the mercy of a drone operator who holds power over life and death from miles away.
Now it is the third of November. And we look down again on this utterly forsaken road near Kruglyakovka, Completely baren, except for two elderly men. And a little white mongrel dog.
Clearly non combattant. On foot. Civilian coats, woolen caps.
One of them is 87-year-old Sergey, who once worked for the Ukrainian railway workers’ union. Walking beside him is his 67-year-old neighbor; together they frantically wave a sheet that serves as a white flag.
For seven months the old men hid together in a damp basement; for seven months they kept each other alive and dragged each other on through the war, but their food supplies had run out. So when it seemed like the grey zone around Kruglyakovka had fallen into Russian hands, they risked the perilous journey on foot, through no-man’s-land to be evacuated to safer ground.
We now see from the air how Sergey’s neighbor suddenly disappears in a cloud of dirty-grey smoke and collapses on the muddy road like a ragged heap of rags.
Then Sergey sinks to his old knees and makes the sign of the cross. And again. And again. The little dog, not understanding, stays silent by his side.
We now see a drone approaching old Sergey. The contraption turns, flies off, then swiftly dives back towards the old man, and mockingly starts circling old Sergey, like a giant mosquito getting ready to sting, before veering upwards again, as if the operator is granting him his mercy.
Then we see the drone drifting, drifting, excruciatingly slow, toward Sergey and finally we see it explode right in his face.
It is Tuesday, 16 December.
And we look down on a hall, filled to the brink with well-fed men and women. All dressed up. 143 men and women who govern a country.
My country.
I watch them as they give a standing ovation. Some openly and enthusiastically, others timidly and ashamed, wary of the cameras and the judgment of the public.
I see these 143 people, clapping their little fat hands, till they are red, like seals in a circus, as they applaud the murder of Sergey, his neighbor and a mongrel puppy that wanted nothing more than a warm basket, a cuddle and perhaps a juicy bone.
Things will never be right again in the Netherlands.
My country.
My guilty country.
Writing this piece has taken me days and nights. And tears of shame. If you find it beautiful or important, please support me .
Vind je mijn werk goed, mooi of zelfs belangrijk? Deel deze post dan zoveel mogelijk! Ook kun je mijn werk ondersteunen met een donatie!
Ik weet het ik weet het, het voelt zowaar “anders” in de Tweede Kamer”. Vrolijker. Gezelliger.
Er lijkt eindelijk geluisterd te zijn naar “de stem van het volk”, dat ad nauseam klaar was met Rutte, de Jonge, Kaag, Skeletor, Clowntje van Huffelen en de andere WEF cronies.
De nationale en internationale alternatieve media, ook degene die ik best hoog heb zitten, gingen vol mee in de feestvreugde.
Tijs van den Brink, anchorman van de machtige NPO, eiste op hoge toon van Marianne Zwagerman, eenpitter op Youtube, dat ze een quote moest verwijderen, omdat zij hem in haar eigen ongesubsidieerde, online programma, onjuist zou hebben geciteerd.
Vanaf de Olympus in het Gooi, klonk een machtige brul.
Maar vanaf de begane grond klonk een vriendelijke maar resolute piep.
Onbekende Illustrator. Baron van Münchhausen op kanonskogel.
Stel je voor. Je hebt je zojuist heerlijk genesteld in je KLM businessclass stoel met uitzicht op de Alpentoppen in de diepe diepte, met wat lichte lectuur, iets van Celine of zo.
En plots komt met een zucht de intercom tot leven.
“Dames en heren, dit is uw gezagvoerder. Graag garandeer ik u dat deze ultramoderne Boeing 777, gedurende uw vlucht naar Genève zeker niet zal ontploffen of uiteen zal spatten. Ook is de kans afwezig dat dit volstrekt veilige toestel tijdens de landing in brand zal vliegen en over de kop zal slaan. Bewaar alstublieft uw kalmte en geniet van uw vlucht. Dank u.”
Vorige week gooide ik op twitter een knuppel in een slaperig hoenderhok.
“Mensen die nu, vandaag, nog steeds de voortdurende bombardementen op onschuldige burgers, ziekenhuizen, vluchtelingenkampen, kindertjes en baby’s goedkeuren of zelfs toejuichen, omdat er twee maanden geleden een, door onzorgvuldigheid van Israel of moedwillig door Israel mogelijk gemaakte, aanval door het door Israel gefinancierde en grootgemaakte Hamas is uitgevoerd, please leave my timeline. Ik wil niks met jullie van doen hebben. Niks. Nooit meer ook.”
Het volgende korte stukje, was mijn eerste reactie op de verkiezingsuitslag. Gepubliceerd in mijn favoriete krant, De Andere Krant, die ik zojuist, na een stormachtig weekend Zeeland, van de mat plukte.
Ik schreef het krabbeltje om half één in de ochtend van de 23ste november, met de pest en een liter goede Italiaanse wijn in mijn lijf.
Jeremia 17. Also I set watchmen over you, saying, hearken to the sound of the trumpet. But they said, We will not hearken.
Ik ben onder de indruk van onze Nemesis. De altijd “shape shiftende” ideologische tegenstander. “De rambler, de gambler, the backbiter”, zoals Johnny Cash hem noemt.
Ik bewonder zijn veelkoppige intelligentie en doorzettingsvermogen, zijn gewiekstheid en kennis van de psyche van de kudde.
Kroniek van een aangekondigde dood. Gabriel Garcia Marquez.
Dit is een stuk dat ik niet had willen schrijven. Omdat ik niets liever had gewild, dan dat het niet zou zijn, zoals het is. Een bericht dat er toch uit moest, omdat ik de illusie koester dat ik door mijn paniek in letterbrokjes uit te kotsen, mijn angst over het internet uit te schreeuwen, ik het zwaard van Damocles kan botten, de dreiging, die gedijt bij nacht en nevel, bij zwijgen en stilletjes toestaan, onschadelijk zou kunnen maken.
Een stuk geschreven in de hoop dat ik de banvloek zou kunnen breken of in ieder geval iets zou kunnen inscheuren, door de van collectieve schuld doordrenkte deken van het zacht zoemende wespennest af te trekken, door de deksel van de walmende doofpot af te trappen en het gif naar het zonlicht te laten ontsnappen.
Door het ondenkbare te benoemen, waar schouderophalend Nederland stilzwijgend van uit lijkt te gaan.
Thierry Baudet, ontkwam gisteren aan een tweede moordaanslag in korte tijd.
Volgende week woensdag 22 november zijn er verkiezingen. Misschien wel de laatste, waarin voor ons, Nederlanders, nog iets te kiezen is.
De laatste verkiezingen voor de machtsdronken zwijnen, die de troggen van de overwinning al ruiken, alle politieke oppositie verbieden en alle vrije media definitief gelijkschakelen.
Maak het de zwijnen zo moeilijk mogelijk. Stem Forum voor Democratie op 22 November.
Vandaag trilde de hoofdstad onder de spijkersandalen van de klimaatmars. Een meelijwekkende optocht van veertigduizend somber voortstrompelende dwaallichten met bottige lijfjes, puntbuikjes en afhangende rachitis schoudertjes.
Een schamele halve kamerzetel aan lage ambtenarij, monkelende babyboomers met een volle vaccinatiekaart en perma-werkeloze dwaallichten uit de categorie Koos Koets; hun rotten aangevuld met hordes geestelijk- en vast ook anderszins misbruikte kindertjes.