
De angst het oude te verlaten, houdt ons gevangen.
We ploeteren, ingespannen achter met rotzooi volgeladen karren, moeizaam voort, op een modderig, hol boerenpad, waarin een alles doordrenkende regen een onontkoombaar spoor van zuigende, diepe voren heeft gevormd.
Nog zovelen van ons volgen het spoor van vermolmde systemen, blind vertrouwend op de wissels, die op afstand in zwarte torens achter melkglas, worden omgezet.
Vastgekoekte schijnverbanden houden ons geketend in een onzichtbare kerker van Pyriet; ijzerkies, het goud der dwazen.
We rennen paniekerig rondjes binnen een magische cirkel in het stof, waar vrijwel geen kip, met of zonder kop, nog overheen durft te stappen.
Te velen van ons kunnen blijkbaar niet over de grenzen van hun eigen aangeharkte perkje vol kunstzijden rozen en glitterspeeltjes heen kijken. Al loopt het langzaam onder water. Hun plastic heg vol knuffelbeestjes en piepende en verleidelijk toeterende schermpjes, leidt teveel af.
De ruimen van onze privé Titanics zijn afgeladen met kant en klaar supermarktvoer, WC papier, Netflix en andere porno; de reddingsboten vol houtworm en vermolmde spanten in de rafelige touwen afhangend langs de verveloze relingen.
En voor het poetsen van the dekstoelen en het verven van de stuurhut, hebben we Polen ingehuurd. Mensen die nog wel kunnen werken en vechten als het moet. Ze kijken spottend op ons neer.
Oppervlakkige relaties, onechte vriendschappen, verloederde banden en contracten die, zo blijkt nu, inscheuren bij de minste druk en dreiging, bepalen het drama dat we tot voor kort ons leven noemden.
Die vaste waarden bleken al net zo waardeloos als die mooie baan die toch los bleek te zitten, het waardeloze klatergoud dat we ons geld noemen, de heilige idolen die kindertjes bleken te betasten en die politieke kopstukken, waar we al die jaren op stemden, die ons nu in onze rug aanvallen en regelrecht de hel in dreigen te storten.
Als moeders die een doodgeboren kindje omarmen, blijven zovelen van ons hun illusies koesteren.
We klampen aan ze vast, terwijl we ze al zo lang geleden kwijt zijn geraakt.
Het waardeloze is ons houvast geworden, in een wereld zonder God.
Opgesloten in een jerkcircle van het eeuwige “ja maar”.
De angst het waardeloze te verliezen, doet ons er voor terugdeinzen het kostbaarste te behouden.
Hoevelen van ons lieten zich niet de onzekerheid in prikken, om een lang weekend naar Oostenrijk te kunnen of te kunnen dansen, op de vulkaan, bij Jansen? Hoevelen van ons kijken de andere kant op, nu zoveel onschuldigen door hun gelijken worden besmeurd en beschuldigd. Nu zelfs kinderen, zieken en bejaarden, mikpunt zijn van een spot, haat en knuppelcampagne die doet denken aan de mensenjacht, die twee jaar geleden nog “Nie Wieder” had mogen plaatsvinden.
We zijn verdoemd als Wothan, verblind door een vals schitterende ring die nooit de onze was, maar in werkelijkheid van een dwerg, die hem nu terugeist.
Goden zijn we, maar uitsluitend in het diepst van onze eigen laffe, bekrompen gedachten.
En tegelijkertijd is het gekmakend hoe begrijpelijk dit allemaal is.
Wij westerlingen zijn de Hobbits van deze wereld geworden; in slaap gesuste, argeloze sukkelaars. Bijna een eeuw lang hebben we geen openlijk gevaar hoeven confronteren, geen flagrante onderdrukking gekend. En er is nog geen Frodo of Bilbo te zien.
We hebben ons de, met rivieren van bloed bevochten, vrijheid laten aanleunen, terwijl we de verdediging van onze grenzen hebben opgedoekt en comfortably numb ons pijpje zijn blijven roken en ons gazon zijn blijven aanharken, terwijl de wolken zich samenpakten en het oog van Mordor onze kant op draaide.
Onze weke buik naar boven. Kwetsbaar voor alles dat het kwaad is.
Generaties lang, hebben wij als westerlingen geen stresstest van betekenis ondergaan.
We hebben in geen eeuwen een riek hoeven opheffen, niet om hooi te scheppen, laat staan om ons te verdedigen tegen een duistere overmacht.
We hebben geen God in wanhoop hoeven aanroepen. En zovelen kijken misprijzend neer op hen die dit nog doen. Zij vereren liever Lady Gaga, Mamon of Marco Borsato.
De nu levende generaties hebben nooit hoeven duiken of vluchten, voor Arbeitseinsatz of Grüne Polizei, we hebben niet hoeven knokken voor een beter leven. Niet eerder in allesbepalende tweestrijd, zonder om- of uitwegen gestaan.
Wij hebben niet sjokkend langs Vlaamse landwegen, met onze bezittingen op een boerenkar, voor de Wehrmacht hoeven vluchten. Nooit ons fight or flight instinct hoeven aanspreken.
Niemand van ons heeft zijn laatste geld neergeteld voor een 3e klas hut op een oceaanstomer naar een beloofd land. Of dat nou Israel, Nieuw Zeeland of de Verenigde Staten was.
We hebben geen moeite hoeven doen voor onze vrijheid. Die een valse luchtballon bleek te zijn of eerder nog een zeepbel.
Hoe hadden we ook gekund, met onze ongetrainde reten, ons leven in het bedrieglijke comfort van vetgemeste slachtvarkens; doorgebracht, zwelgend in onze eigen plastic mest; als de dood voor de dood, maar wel gedwee, netjes op een rijtje de loopplank van de vrachtwagen opsjokkend.
Kun je een slachtkalf kwalijk nemen dat het niet voor zijn leven vecht?
Dat we het zijn verleerd om te zwemmen, betekent niet dat de zee niet komt.
Ja, er worden steeds meer mensen wakker. Maar wat heb je daaraan, als zovelen zich nog eens drie keer omdraaien, terwijl het monster al aan het voeteneinde staat.
Gelukkig komen steeds meer goede mensen tot het licht. Het licht dat alleen groeit in het diepste duister. En alleen zijn kracht vindt en bundelt op de bodem van de bodemloze put.
Zoek het licht en word het licht. Dan heeft het duister geen kans.
Omdat het duister alles weet, maar het licht nu eenmaal niet kan begrijpen.
Vind je mijn werk goed, mooi of zelfs belangrijk? Je kunt mij hier ondersteunen.
Vind je mijn werk goed, mooi of zelfs belangrijk? Deel deze post dan zoveel mogelijk! Ook kun je mijn werk ondersteunen met een donatie!

























