
Ik scheer mezelf één keer in de drie weken. Met een tondeuse.
Zo bespaar ik behalve een boel geld, flink op tenenkrommende gekwebbel van de kapper.
Alleen mijn kop moet er aan geloven, die moet kaal.
De rest van het struikgewas mag welig tieren en krullen, de Chinese Naakthondenlook met olietjes en geparfumeerde lotionnetjes, dat is niets voor mij.
De hele scheeroperatie is in vijf minuten gepiept.
Ik sta dan voor de spiegel met mijn oude Philips van de Blokker, die lawaai maakt als een boze elektrische heggenschaar.
Eerst zijn baard en gezichtshaar aan de beurt en daarna trek ik strakke banen van achter naar voren over mijn schedel. De kunst is om in zo min mogelijk stroken alles te verwijderen.
Het gaat van links- en rechtsonder naar boven, tot er precies in het midden een smalle verheven baan overblijft.
Een bejaarde para van de 101st Airborne staart me dan een moment aan vanuit de spiegel.
A man can dream.
Robert de Niro uit Taxidriver. “Are you talking to me?”
Maar ik kijk vooral recht in het gezicht van de geesten van mijn verleden.
Terug in de tijd waarin we niet lamlendig op de bank bleven zitten, ons niet langzaam lieten slopen door vazallen van de macht. Niet lieten piepelen door de eikeltjes van de klas door welke leraar of oom agent dan ook. We hadden schijt en zij waren doodsbang. Ook al waren we amper 16 jaar.
Het was de tijd dat we op onze eigen explosieve manier in opstand kwamen tegen de verrotte uitzichtloze tyfusmongolen-maatschappij die ze ons op wilden dringen.
Een tijd net als nu.
Maar nu is het stil. Te stil.
Ik wil die geest van 40 jaar geleden terug, toen we op onze eigen manier, in een explosie van autonomie en creativiteit vochten voor onze vrijheid en ons leven.
De tijd dat ik met Eddie en Coentje, Ate, Jeroen, Patrick, Walter, Niels, Hugo de straten van Breda onveilig maakte en iedereen een straatje voor ons omliep.
Eddie, onze zanger, met een dode muis, platje, op zijn jas geprikt, zijn broek steevast opsierend met de snuitsels van zijn bloedneuzen én bovendien de eerste scheurbuikpatiënt van Breda in 300 jaar, omdat hij een jaar lang alleen palingworst at. Kleine, bleke, gebeeldhouwde Ate, een cherubijntje, met zijn te grote zwarte jas en zware kettingen en twee snaren op zijn gitaar. Patrick, de snelste drummer van de stad. Ik mis het.
Wij waren Punkers.
Echte.
De tweede generatie, na pioniers, zoals Diana Ozon, de Rondo’s, de Ex en de briljante Dr Rat.
De generatie die Max Matkiel vereeuwigde in zijn fotoboek Paradiso.
Wij waren niet links zoals die rooie Amsterdammers. Maar ook niet rechts, wij waren helemaal niet politiek, maar van helemaal niemand. Kwaad op iedereen. Knokkend tegen alles, inclusief onszelf en ons lichaam, dat we met liefde mishandelden, doorstaken en uitmergelden.
Maar vooral tegen de saaie burgerlijkheid. De landerige truttigheid, de eindeloze verveling, de uitzichtloze werkeloosheid en een bom die ieder moment kon vallen.
Anarchisten 14+
We maakten onze eigen kleren en sieraden. Sliepen in kelders en telefooncellen. Schoren en beschermden elkaar.
We begonnen punkbandjes, voor we ook maar één noot konden spelen. Met gitaren waarop net zoveel snaren lagen, als je kon stelen; desnoods uit een piano, het donderde niet. Als er maar een gruwelijke herrie uit kwam.
En al konden we niets. We stonden wel in het Paard van Troje en de Stokvishallen, onze longen uit ons lijf te krijsen in het voorprogramma van MDC, de favoriete band van Kurt Cobain. We trokken een spoor van puin en herrie door het hele land.
De afgrijselijkheid van de tijd, maakte dat wij onze eigen gemeenschap creëerden, waar de burgertjes doodsbang voor waren. Een herkenbare wereldwijde gemeenschap, waar je altijd terecht kon, altijd welkom was en altijd kon blijven slapen of eten, overal in Europa.
We staken als een nest fel gekleurde horzels af tegen de grijsheid van de tijd.
En niemand deed ons wat.
Steeds langer aarzel ik voor ik mijn mohawk afscheer. En steeds vaker vraag ik me af of de tijd niet gekomen is om die hanenkam door te laten groeien, vuurrood te verven met lakverf en deze in spikes op te steken naar de hemel.
En misschien doe ik dat ook wel. Dat zullen de buurtjes in het Spiegel vast dolletjes vinden.
In ieder geval gaan wij, vijftigers, maar weer een band beginnen; Patrick en ik.
Omdat de jeugd van nu liever gehoorzaam in de rij staat voor testjes, met mondluiertjes door schoolgangen schuifelt of zich laat betalen om met blote tietjes voor het klimaat te demonstreren.
Onze punkband gaat Frikandel heten.
Want iemand moet het goede voorbeeld geven.
Vind je mijn werk goed, mooi of zelfs belangrijk? Je kunt mij hier ondersteunen.
Vind je mijn werk goed, mooi of zelfs belangrijk? Deel deze post dan zoveel mogelijk! Ook kun je mijn werk ondersteunen met een donatie!

























