
Gisteren moest ik voor een check up naar de cardioloog. En voor het eerst moest ik er dus ook aan geloven.
Met een katoenen luiertje, grafeenkapjes van firma Sywert begin ik niet aan, over neus en mond liep ik, op de valreep van de mondkapjesplicht, de hal van het plaatselijke ziekenhuis binnen. Prompt hyperventilerend, zwetend, happend naar lucht met een hartslag van 100, verbijsterd dat scholieren en andere ongelukkigen, deze marteling een jaar lang, hele dagen hebben volhouden.
Daar stond ik dan, in het voorportaal van de hal. (pun intended), vol kromgebogen gestalten, gedempte stemmetjes, achter helblauwe maskertjes, zonder één enkele lach of vrolijke blik. Zonder kinderen of bloemen. Zonder zilveren ballonnen.
Alleen de flirtende covid werkstudenten achter plexiglas lachten, maar hun lach was niet voor mij. “Maskerlozen”, dat viel direct op, hebben in een zee van kapjes, uitsluitend oog voor elkaar. Ze zien de rest amper. Laat staan als medemensen.
Ik moest denken aan de baby’s, die met hun blauwe kijkers instinctief, maar vergeefs op zoek gingen naar de lach van hun moeder.
Een werkstudent, checkte mijn afspraak, dreunde een kort “moet u hoesten?, hebt u koorts?” script op. En wees routineus, met zijn arm in een bocht.
‘Rechts om de hoek inschrijven.’
Inschrijven. Vroeger deed je dat bij een grappende dame die je een ponskaartje gaf. Nu haal je een QR code bij een witte pilaar. Mits je identificatiebewijs wordt herkend.
De mijne werd niet herkend.
Omdat ik bijna flauw viel en niet vlak voor mijn bezoek aan de cardioloog een hartaanval wilde krijgen -dat is ook weer zo ostentatief- deed ik mijn mondkapje even onder mijn neus.
Dat duurde twee seconden. Een dame met kort pittig haar, een rokersstem en wit ziekenhuistenue, veerde op van haar stoel, als door een wesp gestoken.
“Mondkapje mijnheer! “
“Ik heb het benauwd mevrouw.”
“Niets mee te maken. U moet uw mondkapje op.”
“Maar u heeft zelf geen mondkapje op.”
“Ik ben aan het drinken mijnheer.”
Ze was niet aan het drinken. Maar ik liet het erbij.
Want ik moest nog naar de cardioloog. En mijn hart ging vervaarlijk tekeer. En daarvoor was ik hier.
Na enkele keren “computer says no” als antwoord van de witte paal en een afkeurende blik op mijn rijbewijs van de kortpittige kapo, kreeg ik van haar een slagersnummertje. 207.
“Uw identificatiepasje is ongeschikt, u moet zich melden bij kamer 4.”
Ik klopte aan bij kamer 4, waar een dame achter plexiglas een geanimeerd telefoongesprek begon met een mijnheer die dringend iets van haar wilde, dat zij niet kon geven.
Na dat ze de hoorn midden in het gesprek van de haak legde, wende ze zich naar mij en constateerde dat mijn rijbewijs wel erg vies was. Toch kreeg ik ondanks dat vergrijp, de fel begeerde QR code uitgereikt; alsof het een stempel op een Elfstedenkaart betrof. Bartlehiem was genomen.
Ik mocht door, de buik van het donkere beest in.
De lift werd geblokkeerd door een bejaardenfile, geduldig wachtend op de eenzame zoef naar de QR folterkamer van keuze. Dus nam ik de trap en belande in een gang vol schuifelende blauwbekkies. Als kromme Wibra-kraaien met blauwe aders, neerstrijkend op lichthouten wachtkamerstoelen waarvan de helft gedemonteerd was, zodat de door Hugo zo felbegeerde anderhalve meter kon worden gehandhaafd.
Ik scande mijn QR code. En na 3 keer gaf deze een groen lichtje. Waarna ik ging zitten.
Nieuwsgierige blikken… “Zo jong nog”…
“Bennink?”
“Ja dat ben ik.”
“Komt u maar mee.”
Een lange, dunne man, geluierd en overduidelijk zonder zin in gezelligheid, nam mij zwijgend mee voor een ECG.
“Mag ik mijn mondkapje af mijnheer?”
“Nee.”
Na dit vrolijke uitgebreide antwoord, nam pierlala mijn bloeddruk op, die zowel onder als bovendruk 50 punten hoger was dan normaal.
Ik sputterde. “Dat doet ie anders nooit”, maar de meelevende blik van een man die dagelijks honderden hypertensie patiënten ziet, was mijn deel.
Ik mocht mij shirt uit doen en gaan liggen, stijf van de spanning en kreeg de plakkers opgeplakt. Het zachte geruststellende gekras van het ECG kon beginnen en mijn hart gedroeg zich wonder boven wonder voorbeeldig, ondanks de hyperventilatie, de benauwdheid en het opgesloten zitten in een kamer van één bij één, met een man voor wie ik overduidelijk slechts een QR code was.
Terug naar de wachtkamer.
“Bennink?”
“Ja dat ben ik.”
“Komt u maar mee.”
Daar stond een dame met het zeldzame talent om dwars door haar mondkap heen te lachen.
We gaan even fietsen mijnheer Bennink.
Een echt mens! “Wat moet dat eenzaam zijn” dacht ik.
Ik fietste en fietste en fietste tot ik niet meer kon, terwijl de bloeddrukmeter zich keer op keer strak opblies en zich met een zucht weer leeg liet lopen.
“Volgende week hoeft het waarschijnlijk niet meer he? Die mondkap?”
Ik was blij voor haar.
En mijn bloeddruk was ook blij: 50 punten lager dan bij de ECG man. 110-65
Net op tijd gekalmeerd voor de genadeloze cardiologenogen.
Terug naar de wachtkamer.
“Bennink?”
“Ja dat ben ik.”
“Komt u maar mee.”
De cardioloog stelde zich netjes voor, zonder een hand te geven.
We bespraken kort en zakelijk de uitslagen.
Mijn sinus ritme en kransslagaders hadden zich uitmuntend gedragen,
maar mijn hart huilde, de hele weg terug naar huis.
Vind je mijn werk goed, mooi of zelfs belangrijk? Deel deze post dan zoveel mogelijk! Ook kun je mijn werk ondersteunen met een donatie!























